Lezingen:
Jeremia 1:4-19
Mattheus 4: 12-23
PREEK
We lazen twee roepingsverhalen: het eerste ging over Jeremia.
Jeremia is de profeet van wiens leven wij meer weten dan van
welke andere profeet ook. Dat komt, omdat er in zijn
geschriften nogal veel autobiografische stof te vinden is. Hij
heeft in zijn leven veel meegemaakt: zo was hij tijdgenoot van
de twee machtigste oosterse vorsten die er ooit zijn geweest,
Assurbanipal en Nebukadnezar; hij heeft de val van Nineveh
meegemaakt; en die van Jeruzalem. Uit zijn geschriften valt op
te maken dat hij het moeilijk heeft gehad met wat je zou
kunnen noemen "de Stem die hem riep". Die hem liet weten wat
zijn levensopdracht was. Deze levensopdracht vervulde hem ook
met grote angst: vertel mensen maar eens dat ze volstrekt
verkeerd bezig zijn; en dat hun situatie uitzichtloos is! Dat
kan bijna niet anders dan tot conflicten leiden. Tijdens zijn
leven kwam Jeremia niet alleen in botsing met de koning, maar
ook met zijn collega's en zijn familie. Zijn prediking van de
ondergang van de stad kostte hem bijna het leven: hij werd als
een verrader gebrandmerkt en gevangen genomen. Dat speelde
zich af ergens tussen 650-580 v. Chr. Dit alles is
waarschijnlijk ook de reden dat Jeremia ook voorkomt op de
heiligenkalender (5 maart).
Jeremia had dus, zoals hij zelf schrijft, heel duidelijk het
besef dat hij in zijn leven een roeping had. "Roeping" is een
woord dat wij niet zo gemakkelijk in de mond nemen. Je denkt
daarbij immers meteen aan mensen met een grote sociale
bevlogenheid: aan mensen zoals Jeremia, aan zendelingen,
artsen, predikanten, diaconessen, verpleegsters, en anderen
die behoren tot die kleine groep mensen die hun leven lang
zeer toegewijd zijn, bijna heilig, en bereid tot vaak grote
offers.
Toch ligt het in de bijbel, en met name in het Nieuwe
Testament, iets anders. Het woord "roepen" komt in de bijbel
maar liefst 730 keer voor: en het wordt een groot aantal keren
gebruikt om daarmee te verwijzen naar "de roepende Stem van
God": een Stem die schept, maar ook een stem die mensen bij
name roept. Sinds het begrip "God" een probleem is geworden,
zie je dat "de Stem", als beeld, als verwijzing naar het
geheim dat ons draagt, aan populariteit wint. Karel Deurlo
spreekt in zijn boeken over "de Stem in het gebeuren", daarbij
klaarblijkelijk denkend aan allerlei dingen die ons niet
onberoerd laten. En onlangs is het levenswerk verschenen van
prof. Dingemans, onder de titel "De Stem van de roepende": in
dat boek ligt de nadruk op de geest, die waait warheen hij wil
en die wij met name kennen door Jezus Christus.
Wij worden van kindsbeen af aangesproken - door vele stemmen -
en de vraag, die je daarbij kunt stellen is: of we tussen al
die stemmen "de Stem van God" kunnen onderscheiden. Waar en
hoe klinkt die? Wie kan zeggen, dat hij de Stem van God wel
eens heeft gehoord? Hebt U in uw leven wel eens deze Stem
gehoord? Het is altijd moeilijk om zo'n vraag te beantwoorden:
dat doe je vaak alleen voor jezelf - niet hardop. Er wordt ook
wel gezegd, dat je die Stem niet zomaar kunt horen: dat je
daar ruimte voor moet maken in je leven; dat je dat moet
leren; dat je moet leren om de antennes, die je daarvoor hebt,
goed af te stemmen. En dat schijnt niet gemakkelijk te zijn:
als we ons terugtrekken in onze binnenkamer, dan spookt er
vaak zoveel door ons hoofd aan flarden van gedachten en
gevoelens en dingen die nog moeten..., dat het ons moeilijk
valt om ons te concentreren. Er is ook wel gezegd, dat de
onrust, die daar wordt gewekt een heilige onrust kan zijn:
een bevlogenheid, waar mensen dan soms ook hun roeping uit
afleiden. Paulus schrijft ergens, dat je vaak pas achteraf
weet of het Gods Stem was, die jou ergens toe bracht: alleen
wanneer ze geloof, hoop en liefde dienen - zo lezen we in de
biref aan de Corinthiërs - was het Gods Stem.
===
In het tweede verhaal dat we lazen, gaat het over Jezus die
mensen roept. Mattheus vertelt dat Jezus een gemeenschap bijeen
brengt die wordt toegerust om "het evangelie van het
Koninkrijk" te verkondigen. Dat kun je niet zomaar: dat moet
je leren. Want uit het vervolg blijkt, dat het daarbij niet
zozeer gaat om iets wat je kunt vertellen, maar om iets wat je
moet doen: het genezen van kwalen. Klaarblijkelijk is dat ook
de opdracht van de kerk.
Het merkwaardige is, dat Jezus bij het zoeken naar mensen die
geschikt zijn voor deze gemeenschap een voorkeur heeft voor
zondaars, tollenaars, en andere mensen die maatschappelijk
niet hoog worden aangeslagen. Zouden zulke mensen beter in
staat zijn om "het evangelie van het Koninkrijk" te
verkondigen?
"op de goede weg zijn, de armen van geest"
"op de goede weg zijn, de mensen die treuren"
"op de goede weg zijn de zachtmoedigen"
Dat alles overdenkende moeten we in elk geval concluderen, dat
roeping in het Nieuwe Testament een wat andere inhoud heeft,
dan wat wij daar doorgaans onder verstaan: zoals ook "God" in
het Nieuwe Testament een ander gezicht heeft dan in het Oude
Testament. Was God in het Oude Testament nog de Almachtige, de
Schepper van hemel en aarde, de Koning waarbij alle vorsten
van de wereld verbleekten..: in het Nieuwe Testament is Jezus
het nieuwe gezicht van God. In het Nieuwe Testament wordt
de aandacht verlegd van de geschiedenis en de grote daden van
God naar het kleinmenselijke. De Stem, waarvasn sprake is, is
niet meer zozeer die van de Schepper en Bevrijder uit
slavernij: de Stem is Jezus, die de mensen uitnodigt aan
tafel, beeld van een gemeenschap waar elk mens er één is, waar
ieder meetelt.
Geroepen zijn is tegen die achtergerond in de eerste plaats:
je genodigd weten. Beseffen, dat er niet in de eerste plaats
iets van ons wordt gevraagd, maar dat ons iets wordt
aangeboden. De Stem is hier een uitnodigende stem: neem
plaats; doe mee; en laat je hier de ogen openen voor het rijk
dat verborgen maar toch ook concreet onder ons is. Wie dat
gaat zien zal ook zijn levensopdracht opnieuw en misschien ook
wel anders verstaan.
Wat is dat dan - dat rijk, dat verborgen onder ons is? Vaak is
daarbij gewezen op de kerkelijke traditie, gebasserd op de
bijbel: als een schat van wijsheid. Op de theologie, waarin
helder omschreven antwoorden te vinden zouden zijn over de
aard van het heil. Maar het zou wel eens zo kunnen zijn, dat
we langzaam aan tot de conclusie moeten komen, dat - al die
mooie woorden ten spijt - mensen dat toch niet meer herkennen.
Dietrich Bonhoeffer heeft eens gezegd: "Einen Gott, die 'es
gibt', gibt es nicht." (D. Bonhoeffer, Akt und Sein, 1964,94.)
Daarmee heeft hij kort en krachtig het probleem samengevat,
waar de kerk en dus ook wij vandaag de dag mee worstelen. Een
God die bestaat, bestaat niet. God bestaat niet op zichzelf.
God is ook niet de God van de theologen. Maar dat neemt niet
weg, dat er zoiets is als een kracht, een stroom die mensen
draagt, wanneer de weg loopt langs de afgronden van de angst,
of door de wouden van verlatenheid, of door het donker van de
pijn. Te lang heeft de kerk het geloof eenzijdig verbonden met
ethiek en moraal. Vroomheid gelijk gesteld aan humaniteit.
Wat daardoor in belangrijke mate verloren is gegaan is de
helderheid over welke nu feitelijk de dragende, genezende,
bevrijdende ervaringen zijn die ons in staat stellen om niet
weg te lopen voor de duistere kanten van het bestaan. Iemand
heeft ooit geschreven: "soms word je 's ochtends wakker met
een melodie in je hoofd; een vrolijke muziek, die je niet
kwijtraakt; het is alsof dan alles anders is." De muziek,
waarom het hier gaat is de muziek die opstijgt uit het diepst
van onze ziel wanneer we geraakt worden door de schoonheid,
door de ontroering bij het zien van jong leven, door de troost
die uitgaat van iemands nabijheid, door het zingen van een
vogel, of door de warmte van het licht dat soms ineens kan
gaan schijnen wanneer je samen of alleen verzonken bent in
gebed. Na zo'n ervaring kun je er vaak weer tegen, ziet het
leven er anders uit.
Het leven stelt ons nogal eens op de proef: dat zullen we niet
kunnen veranderen. Wat we wel kunnen doen is: daar niet voor
weglopen. Jung heeft ooit al eens gezegd: we moeten ons
realiseren, dat we in dit leven regelmatig op de proef worden
gesteld. Waar het dan op aan komt is, of we in die situaties
"de wil van God te doen". Wat wordt er dit moment van mij
gevraagd? Hoe kan ik "er zijn"?
Toen vroeg ik de roeping
en hij zei:
noem mij.
DE LEZINGEN:
Jeremia 1:4-19
.
Het woord van de Heer kwam tot mij:
Eer ik u vormde in de moederschoot heb ik u gekend, en eer ge
voortkwaamt uit de baarmoeder heb ik u geheiligd; tot een
profeet voor de volkeren heb ik u gesteld. Maar ik zei: Ach,
Heer, zie: ik kan niet spreken want ik ben jong. Maar de Heer
zei tot mij: zeg niet, ik ben jong want naar een ieder tot wie
ik u zend zult ge gaan en alles wat ik u gebied zult ge
spreken. Vrees niet voor hen want ik ben met u om u te
bevrijden, luidt het woord van de Heer. Toen strekte de Heer
zijn hand uit en roerde mijn mond aan en de Heer zei tot mij:
zie ik leg mijn woorden in uw mond; merk op. Ik stel u heden
over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te
breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te
planten. En het woord van de Heer kwam tot mij: wat ziet gij,
Jeremia? Toen zei ik: ik zie een amandeltwijg. Daarop zei de
Heer tot mij: gij hebt goed gezien, want ik waak over mijn
woord om dat te doen. En het woord van de Heer kwam andermaal
tot mij: wat ziet gij? Toen zei ik: ik zie een kokende pot
verschijnen van de noordzijde. Daarop zei de Heer tot mij: uit
het noorden zal het onheil losbreken over alle inwoners van
het land; want zie, ik roep alle geslachten der koninkrijken
van het noorden, luidt het woord van de Heer, en zij zullen
komen en zetten elk zijn troonzetel in de poorten van
Jeruzalem en tegen al zijn muren rondom en tegen al de steden
van Juda. Dan zal ik mijn oordelen over hen uitspreken om al
hun boosheid, dat zij mij verlaten en voor andere goden offers
ontstoken hebben, en zich hebben neergebogen voor de
voortbrengselen van hun handen. Gij dan, gord uw lendenen,
maak u op en spreek tot hen al wat ik u gebieden zal.
Verschrik niet voor hen, opdat ik u niet voor hen doe
verschrikken. En ik, zie ik zelf stel u heden tot een
versterkte stad, een ijzeren zuil en een koperen muur tegen
het hele land, tegen de koningen van Juda, zijn vorsten, zijn
priesters en het volk van het land. Allen zullen zij tegen u
strijden, zij zullen u niet overmogen, want ik ben met u,
luidt het woord van de Heer, om u te bevrijden.
Mattheus 4: 12-23
Toen hij vernam dat Johannes overgeleverd was, trok hij zich
terug naar Galilea. En hij verliet Nazareth en ging wonen te
Kapernaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali,
opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja
gesproken, toen hij zeide: "Het land Zebulon en het land
Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen:
het volk, dat in duisternis is gezeten, heeft een groot licht
gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de
schaduw des doods, is een licht opgegaan. Van toen aan begon
Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk
der hemelen is nabij gekomen. Toen hij nu langs de zee van
Galilea ging, zag hij twee broeders, Simon, die Petrus genoemd
wordt, en Andreas, diens broeder, een net in zee werpen; want
zij waren vissers. En hij zeide tot hen: Komt achter mij en ik
zal u vissers van mensen maken. Zij nu lieten terstond hun
netten liggen en volgden hem. En vandaar verder gegaan zag hij
nog twee broeders, Jacobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes,
zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl ze
bezig waren hun netten in orde te brengen, en hij riep hen.
Zij lieten dan terstond het schip en hun vader achter en
volgden hem. En hij trok rond in geheel Galilea en leerde in
hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk
en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk.
Terug naar het begin van deze pagina
Reactie? Zend een E-mail
Terug naar de inhoudsopgave preken
Terug naar de INDEXPAGINA VAN DE WEBSITE
© A.E.J. Kaal, 2003.