'De Triniteit', Atelier Kerkwinkel Koinonia
© Kerkwinkel Koinonia

De voorstelling is gebaseerd op het verhaal over de gastvrijheid van Abraham (Genesis 18:1-16). Bij de eik van Mamre krijgen Abraham en Sara bezoek van drie identieke mannen die hen de geboorte van een zoon, Isašk, voorspellen.(Zie: de afbeelding onderaan deze pagina ).Deze drie mannen worden - in de gedaante van engelen - later beschouwd als een manifestatie van de Triniteit. Op de ikoon zien we de drie engelen rond een vierkante tafel (een verwijzing naar de vier windstreken) zitten waarop (in het centrum) slechts een schaal staat met daarin de kop van een offerdier. Alle overbodige details zijn weggelaten. Op de achtergrond zijn de eik van Mamre, het huis van Abraham en een rots - een verwijzing naar Gods trouw - te zien. De gastvrijheid van Abraham heeft op deze ikoon plaats gemaakt voor de gastvrijheid van de Triniteit, die onze werkelijkheid omsluit en koestert: de toeschouwer wordt als het ware uitgenodigd om zich op te laten nemen in de kring.


"Ik zal je zegenen..."
De lezingen waren:
Genesis 12: 1-9
Lucas 19: 1-10



We zeggen wel eens, over dingen die we hebben gedaan: 'daar rust geen zegen op'. We bedoelen daarmee dat het ons niet brengt wat we ervan hadden verwacht of gehoopt. Dat we zulke dingen zeggen en denken zegt wel iets over wat wij doorgaans onder zegen verstaan: de vrucht van onze arbeid. Het product van onze denkkracht. Het resultaat van onze inspanning. Misschien is die opvatting wel kenmerkend voor een cultuur als de onze, die in zekere zin besloten is: omdat de mens wordt beschouwd als autonoom: zèlf aansprakelijk; zèlf verantwoordelijk; eigenmachtig.

In de zestiende eeuw leefde er een zekere Giambatista Vico; hij vroeg zich af wat nu eigenlijk 'de werkelijkheid' is. Volgens hem kunnen we alleen dát als werkelijk ervaren wat we zelf hebben bewerkstelligd: de 'facta', de feiten. De mens heeft,in zijn lange geschiedenis, de werkelijkheid gecreëerd; of liever: veroverd op het onbekende. Wèrkelijk is wat bekend is. Daarom bestaat de werkelijkheid louter uit wat wij van deze wereld hebben gemaakt.

Wie wil weten hoe de werkelijkheid in elkaar zit moet de geschiedenis bestuderen: zó leer je te begrijpen hoe dingen werken. Zo dacht hij. Deze gedachtengang heeft grote invloed gehad op onze cultuur; met zijn denkmodel heeft Giambatista Vico de basis gelegd voor een stroming die later zal worden gekarakteriseerd als het 'historisme'.

Dit historisme heeft ook zijn weerslag gehad op het geloof en de wijze waarop men de bijbel ging lezen. Men ging zich afvragen hoe het stond met de waarheid van de bijbel: is het wel wáár wat de bijbel ons wil doen geloven? Is de wereld wel geschapen - in zes dagen? Heeft Abraham wel bestaan, of is het alleen een mooi verhaal? Heeft er ooit een uittocht plaats gevonden? Heeft er, in de begintijd van het minirijkje, inderdaad een wijze koning Salomo bestaan, wiens roem overal bekend was? Is Jezus wel gekruisigd? En was zijn graf wel leeg? Hoe kon dat dan: dat moest dan toch mensenwerk zijn?

Het spreekt welhaast vanzelf dat op het tijdperk van het historisme het tijdperk van de technologie zou volgen; want wie de blik van het verleden afwendt en naar de toekomst kijkt vraagt zich natuurlijk af: hoe kunnen wij de wereld verder ontwikkelen? Wat kunnen we verder nog realiseren? Wat valt er binnen onze mogelijkheden? Misschien kunnen we, als we ons verstand gebruiken en al onze vermogens, de honger wel uit de wereld bannen, en de oorlog; de ziekten en de armoede; en het leed! En er ontstond een optimisme, dat van de technologie zo ongeveer alles verwachtte!

Maar: gaat zo'n cultuur niet aan iets heel wezenlijks voorbij? Zien we niet iets essentieels over het hoofd? De Deense sprookjesschrijver Christiaan Andersen heeft het grenzeloze optimisme uit zijn dagen aan de kaak gesteld in het sprookje over de sneeuwkoningin. Daarin wordt ondermeer verteld hoe de kleine Kai probeert om met ijsnaalden het woord 'eeuwigheid' te leggen. Maar elke keer als hij weer een paar letters heeft gelegd, zijn er al weer andere weggesmolten. En hoe hij ook zijn best doet: het lukt hem niet om het woord eeuwigheid te leggen.

Wat niet meer in tel is, zijn de betekenissen van de verborgen werkelijkheid; de werkelijkheid die voorbij onze horizon ligt. Op de ikoon voorop de liturgie is de onzienlijke ruimte in beeld gebracht, die onze werkelijkheid omvat. Zo zet de ikoon ons tot meditatie over de betekenis van wat voor ons verborgen, en dus wezensvreemd is.

Een hoge adviseur met betrekking tot het wetenschapsbeleid zei ooit eens: 'Van één van de vele factoren die de samenleving bepalen is de wetenschap wel tot bijna de belangrijkste geworden voor de maatschappelijke ontwikkeling. Je kunt je afvragen of dat een ontwikkeling ten goede of ten kwade is. Persoonlijk vind ik dat een weinig zinvolle vraag. We hebben het dan namelijk over een ontwikkeling die, vóór alles, onweerstaanbaar is gebleken. De wetenschap valt gewoon niet tegen te houden. Allerlei mislukte pogingen om - op ethische, militaire of economische gronden - in te grijpen en te sturen, bewijzen het". Je kunt hierin een zekere machteloosheid beluisteren. En een ondertoon van berusting.

Zouden we het verhaal over Abram ook kunnen verstaan als een oproep om niet te berusten? En als een verhaal over onheil dat de mens kan treffen als uitvloeisel van een cultuur die in zichzelf besloten is? Als een profetisch woord over het bevrijdende karakter van het geloof? Zou ook voor onze cultuur niet het goddelijk woord kunnen gelden: "Ga, weg van hier, naar het land dat Ik je zal wijzen?" Het profetisch appèl om te breken met een denken, dat gebaseerd is op causaliteit en maakbaarheid?

De tweede Jesaja verwoordt deze gedachte als volgt:
"Uw wijsheid en uw kennis zijn het, die u verleid hebben, zodat ge bij uzelf zegt: ik ben het en niemand anders!" Voor wie louter vertrouwen op de menselijke mogelijkheden is er voor God geen plaats.

Je moet hier weg! Hiervan valt niets goeds te verwachten; Ik zal je zegenen, als je tenminste bereid bent om je pretenties op te geven.

Wat houdt dat in? Misschien wel dat het nodig is om terug te gaan naar ervaringen, die we ook allemaal hebben: van het onuitsprekelijke; naar de werkelijkheidservaringen die we ooit moeten hebben gehad, toen we de wereld voor het eerst zagen. De ervaringen met deze wereld voordat de werkelijkheid was gereduceerd tot woorden, begrippen en verschijnselen. Het verhaal over Abram wijst naar de belofte op zegen, die besloten ligt in een openheid van geest die gevoelig is voor de primaire ervaringen.


Een oude Joodse fabel vertelt hoe eens de haan, de vleermuis en de zwaluw samen op het licht zaten te wachten. Op een gegeven moment zegt de haan tegen de vleermuis: "Maar wat heb jij aan het licht?" De vleermuis kan het licht immers tóch niet zien. Zou dat niet ook gelden voor de mens die leeft in een cultuur die de werkelijkheid heeft gereduceerd tot de controleerbare feiten?
Maar de Joodse fabel gaat nog verder. De vleermuis kan het licht niet zien. Maar de zwaluw wèl. Toch is er een verschil met de haan. De zwaluw kan de zon zien opgaan en dan zijn lied aanheffen. Maar de haan heeft, om het zo te zeggen, een neus voor het licht: hij ziet de komst van het licht al vóórdat het er is.

Zouden ook wij beschikken over een vermogen een werkelijkheid te bespeuren die groter is dan ons 'weten'?

Niet lang geleden werd op de TV een documentaire vertoond over het leven van de monniken in wat wel het strengste klooster heet te zijn in Europa - La grande Chartreuse. De daar levende Kartuisers hebben zwijgplicht. En ze leiden een sober bestaan. In de film, die ruim drie uur duurde, werd dan ook nauwelijks gesproken. Wat daardoor deste meer opviel was de aandacht die deze monniken hebben voor het mysterie in vele gedaanten: het mysterie van de schoonheid, het mysterie van het leven en de wisselende seizoenen, het mysterie van de eigen ziel, en het mysterie van de ander. het mysterie van de tijd en de duur.

De cineast, die deze documentaire heeft gemaakt, is afkomstig uit Berlijn. Hij had toestemming gekregen om een half jaar in dit klooster te verblijven, op voorwaarde dat hij net als al de monniken zich zou houden aan de geldende leefregels. In een interview, dat aan de uitzending vooraf ging werd hem gevraagd hoe het was om weer terug te komen in Berlijn. Wat hem had getroffen was de alom aanwezige angst: voor de dood, voor ziekte, voor werkeloosheid, voor van alles en nog wat. Dit in tegenstelling tot de monniken, die leven binnen de ruimte van een dag. Angst kennen ze niet. Zij ervaren alleen de rijkdom van wat het leven hen biedt zelfs in hun ogenschijnlijk zo besloten leefruimte.

Wat zou het met ons doen als we in ons bestaan meer aandacht zouden geven aan de zeggingskracht van de stilte? Als we meer bedacht zouden zijn op het onvermoede in de ander - die naast ons zit? De vreemdeling in onszelf? De verborgenheid?

Hoe anders zou het met de kerken gesteld zijn als ze in het verleden niet zo zelfverzekerd hun waarheden hadden gevat in stellingen en begrippen? Als ze niet steeds weer hun waarheid hadden uitgelegd en beredeneerd? Als er méér nadruk was gelegd op het belang van stille aandacht, en verwondering over de overweldigende geheimen van het leven?

Hoe anders zou onze samenleving zijn als we, net als Zacheùs,
ernst zouden maken met de goddelijke uitnodiging: 'Vandaag moet ik in uw huis verblijven; maak plaats.' En als we doordrongen zouden zijn van een besef, zoals dat op de ikoon wordt verbeeld: dat onze zegen daaruit bestaat dat we gedragen en beschut worden door de EEUWIGE, onzichtbare - die niet van deze wereld is, maar die vraagt om een plaats in ons leven?

Hoe anders zou deze gemeenschap van gelovigen functioneren wanneer we ons zouden concentreren op het uitwisselen van religieuze ervaringen, in plaats van op de zorg om de besteding van gelden en de gehechtheid aan tradities en structuren?

Zou dat niet leiden tot een nieuw verstaan van wat het is om geloofsgemeenschap te zijn? Een uitnodiging daartoe mogen we misschien beluisteren in het volgende gedicht:

Sta met mij in de tuin van heden
vang het licht zolang het is
roep het donker niet, het komt
vanzelf. Spreek niet van verleden,

leg op de toekomst geen beslag.
Zie deze dag als aanvang,
belofte voor wellicht een nieuw
begin. Ontwaar de glans en kom

mij daarin nader, geef dit moment
tot in de kleinste ruimte zin.

AMEN.


'Het gastmaal van Abraham'
Benaki Museum, Athene
14de - 15de eeuw

Terug naar boven

DE LEZINGEN:
Genesis 12:
1 De HEER zei tegen Abram: 'Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
2 Ik zal je tot een groot volk maken,
ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven,
een bron van zegen zul je zijn.
3 Ik zal zegenen wie jou zegenen,
wie jou bespot, zal ik vervloeken.
Door jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.
4-5 Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, 6 trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten. 7 Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: 'Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.' Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was. 8 Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan. 9 Steeds verder reisde Abram, in de richting van de Negev.

Lucas 19:
1 Jezus ging Jericho in en trok door de stad. 2 Er was daar een man die Zacheùs heette, een rijke hoofdtollenaar. 3 Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. 4 Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. 5 Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: 'Zacheùs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.' 6 Zacheùs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. 7 Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: 'Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.' 8 Maar Zacheùs was gaan staan en zei tegen de Heer: 'Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.' 9 Jezus zei tegen hem: 'Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.'

Terug naar het begin van deze pagina


Meer weten over deze website? Ga naar de TITELPAGINA of naar de SITEMAP.

Reactie? Zend een E-mail

© A.E.J. Kaal, 2007.