|
Hoop
Het Christendom is ontstaan in Jeruzalem na de dood van Jezus. Binnen diverse stromingen
van het Jodendom leefde de hoop dat Israël ooit bevrijd zou worden van vreemde overheersing.
Bij de volgelingen van Jezus was dit niet anders. Mogelijk onder invloed van Johannes de Doper
was men Jezus gaan zien als de Verlosser. Johannes de Doper heeft grote invloed gehad op Jezus
en het latere Christendom. Zijn doop van bekering verwees naar 'de komende', die een
einde zou maken aan alle ongerechtigheid. Wie volgens Johannes die 'komende' was weten
we niet; was het 'de Mensenzoon'? Of was het God? Uit de evangeliën wordt duidelijk dat
velen Jezus zagen als de beloofde messias. In het Aramees, de taal die Jezus sprak, kan
'de mensenzoon' een gewone aanduiding zijn voor 'de mens', 'iemand'. Maar de evangelisten
gebruikten het woord om daarmee te suggereren, dat Jezus messiaanse trekken had. Opvallend is dat
deze titel als enige van alle eretitels ook opklinkt uit de mond van Jezus. Het is niet onmogelijk
dat Jezus deze term ook zelf heeft verbonden met zijn levensopdracht. Met zijn dood werd echter
de hoop, dat hij Israël zou bevrijden, bij velen de bodem ingeslagen.
Onze hogepriesters en leiders hebben hem (Jezus) ter dood laten
veroordelen en laten kruisigen. Wij (de Emmaüsgangers) leefden
in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden...
(Lucas 24:20v.)
Toch heeft dit niet het einde betekend van de Jezusbeweging. Er waren ook volgelingen, die tot het
inzicht kwamen, dat ze de boodschap van Jezus mogelijk niet goed hadden begrepen. Dat valt op te maken
uit een verhaal van Lucas waarin hij zinspeelt op zo'n misverstand.
Toen Jezus en de apostelen eens bijeengekomen waren,
vroegen zij hem: 'Heer, gaat u dan binnen afzienbare
tijd het koningschap over Israël herstellen?' Hij
antwoordde: 'Het is niet jullie zaak om te weten wat
de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd
en het ogenblik waarop deze gebeurtenissen zullen plaatsvinden.
Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen
jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem,
in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.'
(Handelingen 1:6-8)
Waarschijnlijk worden hier gevoelens beschreven, die leefden in de tijd dat Lucas zijn evangelie schreef: dat was niet
lang na de Joodse opstand, die in het jaar 70 leidde tot de verwoesting van Jeruzalem. Aanvankelijk meende men dat men
op korte termijn Jezus' wederkonst kon verwachten; maar toen die uitbleef ontstond het vermoeden dat ook Lucas verwoordt
wanneer hij Jezus in de mond legt dat het uur van de voleinding niet is vast te stellen. De woorden 'tot aan de uiteinden der
aarde' moeten wellicht dan ook worden opgevat als een tijdsbepaling. Als plaatsbepaling vertaald, zoals hierboven is gebeurd,
suggereert het dat het evangelie eerst overal op deze wereld verkondigd moet worden. Je zou dan verwachten dat het boek
'Handelingen' vertelt hoe de boodschap over de wereld werd verspreid. Maar het vertelt bijvoorbeeld niets over de verbreiding van
het Christendom in oostelijke richting en al evenmin hoe het evangelie Egypte bereikte. Het eindigt met de aankomst van Paulus
in Rome. En dat was bepaald niet het einde van de wereld, maar eerder het centrum. Dit alles pleit ervoor om te veronderstellen
dat ook Lucas bedoelde te zeggen dat een mens geduld moet hebben en slechts in lijdzaamheid kan wachten op de wederkomst van
Christus en daarmee op het einde van de tijd.
De droom van het oude Israël
In Palestina ging de hoop op verlossing hand in hand met het verlangen naar herstel van het oude koningschap. Het gebied
van het oude Israël was in de dagen van Jezus noch in religieus, noch in staatkundig opzicht een eenheid. Er bestonden diverse religieuze
stromingen zoals de Farizeeën, de Sadduceeën en de Essenen! Jezus heeft zich bij geen van deze groeperingen aangesloten
omdat zijn boodschap bestemd was voor heel Israël. Ook in politiek opzicht was Palestina destijds geen eenheid: het gebied
was opgedeeld in diverse gewesten; sommige daarvan stonden rechtstreeks onder Romeins bestuur terwijl andere werden geregeerd
door vazalkoningen of buiten de grens van het Romeinse rijk lagen. Samaria en Judea behoorden tot de Romeinse provincie Syrië,
Galilea en Perea tot de tetrarchie van Herodes Antipas, Iturea tot de tetrargie van Filippus en Decapolis lag buiten de
rijksgrens. Johannes de Doper had het nationalisme al onder kritiek gesteld: "God kan van deze stenen kinderen van Abraham
maken! Ja, de bijl ligt al aan de wortel van de boom!" (Lucas 3:8), zo zou hij gezegd hebben . Volgens hem zegt het dus
niet veel of je nu wel of niet tot Israël behoort, want op de dag van het oordeel komt het aan op heel andere zaken. Ook in
de late Jesajaboeken klonken al geluiden die wijzen op een universeel geloof: "Abraham heeft ons niet gekend en Israël
(= Jacob) zou ons niet herkennen" (Jesaja 63:16).
Ook Jezus wilde niets weten van nationalistische stromingen.
Jezus leeft!
Uit brieven van Paulus, die alle ruim voor het jaar 70 zijn geschreven, blijkt dat na de kruisdood al snel werd gesproken
over de opwekking van Jezus: hij was dan wel gestorven, maar vervolgens 'verhoogd', dat wil zeggen dat hij ten hemel was
opgenomen. Uit manifestaties van de Heilige Geest maakte men op, dat hij leefde en dat hij - zij het op een heel andere
manier dan daarvoor - net zo aanwezig was als tijdens zijn leven.
"Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen.
Hij is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van
de Vader de heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest
heeft hij op ons doen neerdalen". (Handelingen 2:32).
Sommigen van zijn volgelingen bleven dan ook geloven, dat met de komst van Jezus de heilstijd was aangebroken; zij verkondigden
dat hij weliswaar was gekruisigd, maar dat hij uit de dood was opgewekt. Hoe kwamen zij ertoe dit te denken? Eén van de oudste
berichten waarin een aanwijzing voor een antwoord op die vraag besloten ligt, is te vinden in een brief die Paulus schrijft
aan de gemeente in Corinthe:
Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen:
dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat,
dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat,
en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.
Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk,
van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. Vervolgens is hij
aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. Pas op het laatst is hij ook
aan mij verschenen. (I Corinthe 15: 3-8)
Het woord 'verschijnen', dat we hier vier maal tegenkomen, staat centraal. Het Griekse equivalent komt ook voor in het
scheppingsverhaal: "Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat het droge land verschijnt". (Genesis 1:9).
'Verschijnen' betekent dus zoiets als 'zichtbaar worden'. Vrij vertaald zouden we misschien kunnen zeggen, dat zij het zo gingen
zien. En dat zij dit toeschreven aan de werking van de heilige Geest.
Zij waren en bleven Joden
Al vóór het begin van onze jaartelling woonden er meer Joden buiten dan in Palestina. Degenen, die elders woonden spraken
dikwijls Grieks. Hun 'bijbel' was de Septuagint, de Griekse vertaling van boeken die wij in het Oude Testament aantreffen.
Deze Joden kwamen nu en dan naar Jeruzalem om daar aan de grote plechtigheden deel te nemen. Sommigen kozen ervoor om er zich
te vestigen. Ongetwijfeld waren sommigen van hen heel streng als het ging om het navolgen van de cultische voorschriften,
terwijl anderen die voorschriften minder zwaar opvatten omdat ze zich hadden aangepast aan het 'westerse' hellenisme.
We mogen daarom aannemen, dat de Grieks sprekende Joden allerminst een homogene groep vormden. Dat geldt ook voor diegenen,
die in de opwekking van Jezus waren gaan geloven; zij waren en bleven weliswaar Joden - zo werden zij aanvankelijk tenminste ook
beschouwd - maar niet allen waren even streng voor zichzelf als het ging om de naleving van de tora. Lucas bijvoorbeeld
vertelt dat een zekere Tertullus, de advocaat van de hogepriester van Jeruzalem, ten overstaan van het gerecht over Paulus
zegt:
Het is ons gebleken dat deze man een ware pest is en dat hij overal ter wereld
onlusten onder de Joden veroorzaakt. Als een van de voornaamste leiders van de
sekte van de Nazoreeërs heeft hij zelfs. . . (Handelingen 24:5)
Paulus zelf zegt in zijn antwoord daarop:
Maar wel wil ik hier verklaren dat ik overeenkomstig de Weg,
die zij een sekte noemen, de God van onze voorouders dien. (Handelingen 24:14).
Hieruit blijkt dat rond het jaar 55 Christenen nog steeds worden beschouwd als een stroming binnen het Jodendom: naast de Farizeeën,
de Sadduceeën en de Essenen bestonden er toen dus ook Nazoreeërs. Het feit dat de Christenen een sekte waren impliceert,
dat waarschijnlijk jongetjes na hun geboorte nog steeds werden besneden, dat er tempelbelasting werd betaald en dat de
sabbat werd gehouden. Maar dat wil niet zeggen dat er ook mensen waren die hier vraagtekens bij plaatsten.
De gemeente in Jeruzalem
De oudste gemeente is zonder twijfel de gemeente in Jeruzalem. Lucas beschrijft uitvoerig hoe het er daar in de gemeente
aan toe ging. Hij doet dit zelfs vaker; dat wijst erop, dat hij het belangrijk vindt om zijn lezers ervan te doordringen hoe
eensgezind en toegewijd de leden van deze gemeenschap aanvankelijk waren.
De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichtten, vervulden iedereen met ontzag.
Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk.
Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets
nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het
brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol
vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. (Handelingen 2:43-47)
De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen.
Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom,
want ze hadden alles gemeenschappelijk. De apostelen bleven met grote
kracht getuigen van de opstanding van de Heer Jezus, en God begunstigde
allen rijkelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond
of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen en
legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de
gelovigen werd verdeeld. Een van hen was Josef, een Leviet uit Cyprus,
die van de apostelen de bijnaam Barnabas had gekregen, wat in onze taal
'zoon van de vertroosting' betekent. Hij bezat een akker, die hij verkocht,
waarna hij het geld naar de apostelen bracht.(Handelingen 4:32-37)
De kerk ontstond in de huizen van mensen waar de aanhangers van "de Weg" - zoals men zichzelf aanvankelijk waarschijnlijk noemde - bij
elkaar kwamen en met elkaar aten. Daar werd ook wel het evangelie verkondigd, maar dit gebeurde waarschijnlijk toch voornamelijk
in de tempel, in de gangen van Salomo: daar werd geproclameerd dat "Jezus is opgewekt uit de doden!" en "Jezus messias is".
Vanzelfsprekend bleef dit niet onopgemerkt; ook al omdat Pilatus en Kajafas nog steeds in functie waren en de hogepriester verantwoordelijk
was voor de orde; het leidde dan ook al spoedig tot een gespannen situatie.
Terwijl Petrus en Johannes de menigte nog toespraken, kwamen de
priesters, het hoofd van de tempelwacht en de Sadduceeën op hen af,
hevig ontstemd omdat ze het volk onderrichtten en de opstanding uit
de dood verkondigden op grond van wat er met Jezus was gebeurd.
Ze grepen hen vast en zetten hen gevangen tot de volgende dag,
omdat het al avond was (Hand. 4:1-3).
Maar dit weerhield de apostelen er niet van om door te gaan met preken.
Ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis
en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de
messias is. (Handelingen 5:42)
Behalve spanningen met de overheid ontstonden er ook al spoedig interne spanningen. Om te kunnen begrijpen waar die uit voortkwamen
dient men voor ogen te houden dat de Joden, die zich tot bij 'de sekte van de Nazoreeërs' hadden aangesloten, totaal verschillende
achtergronden konden hebben. Sommigen van hen spraken aramees; zij hadden in Jeruzalem hun eigen synagogen en gebruikten daar de
Hebreeuwse versie van de tenach (het woord tenach is een samensmelting van drie woorden: de tora, de nebiïm en de
Ketubim - de wet, de profeten en de geschriften); anderen spraken Grieks en gebruikten een griekse vertaling: de Septuagint.
Onder deze Griekstalige gelovigen waren er ongetwijfeld een aantal uit Palestina; maar hoogstwaarschijnlijk had de meerderheid
van hen ooit geruime tijd elders in het Romeinse rijk doorgebracht. Onder hen waren er, die verregaand gehelleniseerd waren,
d.w.z. dat zij zich een leefstijl hadden aangemeten die sterk was beïnvloed door de heersende cultuur; maar er waren er ook
die zich voor die vreemde invloeden hadden proberen af te sluiten. Deze laatsten bleven de Joodse leefregels en gebruiken onderhouden,
vaak heel nauwgezet. Kortom: deze 'sekte van de Nazoreeërs' was bepaald niet een homogene groep. Onderling had men ook niet altijd
evenveel respect voor de anderen.
Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid
bij de Griekstaligen, die de Aramees sprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep
bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. Daarop riepen de twaalf apostelen
de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: 'Het is niet goed dat wij
de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden, want daardoor verwaarlozen we
de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven
wijze mannen die goed bekend staan en vervuld zijn van de heilige Geest. Aan hen zullen
we deze taak opdragen, terwijl wij ons zullen wijden aan het gebed en aan de verkondiging
van het woord van God.' Alle leerlingen stemden met dit voorstel in. Ze kozen Stefanus,
een diepgelovig man, die vervuld was van de heilige Geest, en verder ook Filippus,
Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië. Ze
lieten deze mannen plaatsnemen voor de apostelen, die een gebed uitspraken en hun
daarna de handen oplegden. (Handelingen 6:1-6)
Lukas doet het voorkomen of 'de zeven' in goed overleg worden aangesteld; en dat er sprake zou zijn van een taakverdeling.
De 'zeven' zouden diakonaal werk doen; en ze zouden het bidden en preken moeten overgelaten aan de 'twaalf'. Maar uit het
vervolg blijkt nergens dat er van die taakverdeling ook maar iets terecht kwam. Het heeft er alle schijn van dat Lucas de zaak
veel mooier voorstelt dan die in werkelijkheid was. Dat de spanningen in Jeruzalem al spoedig hoog oplopen blijkt uit het
bericht dat de belangrijkste van de zeven aangestelde wijze mannen, Stefanus, al spoedig daarna wordt gestenigd.
Wie zaten daarachter? Je zou nog even kunnen denken dat het de aramees sprekende Joden waren. Maar dat blijkt niet zo te
zijn: het zijn mensen uit de synagoge van de libertijnen (of zijn het Libiërs?) en mensen uit Cyrene, Alexandrië,
Cilicië en Asia. Deze libertijnen zijn - volgens Chrysostomus (bisschop van Constantinopel in de 4de eeuw) althans, die dat
in een commentaar op Handelingen vermeldt - vrijgelatenen: Joden, die ooit door Pompejus als slaaf waren weggevoerd naar
Rome, en die uiteindelijk hun vrijheid hebben herkregen. Waarover ging het in het conflict met Stefanus? Dat valt niet meer te
achterhalen: de redevoering die Stefanus houdt, vlak voordat hij het slachtoffer wordt van de lynchpartij, is door Lucas
geconstrueerd. Niettemin mogen we vermoeden dat het ging om verkondigde opvattingen, die volgens de strengen in de leer
niet in overeenstemming waren met de Thora. Het blijft niet bij deze moord:
Nog diezelfde dag (dat Stefanus was gestenigd) brak er een hevige vervolging los
tegen de gemeente in Jeruzalem, zodat allen verspreid werden over Judea en Samaria,
met uitzondering van de apostelen. Degenen die verdreven waren, trokken rond en
verkondigden het woord van God. Filippus ging naar de stad Samaria, en verkondigde
hun de messias. (Handelingen 8:1.4v.)
Lucas suggereert nu dat het een direct met het ander verband houdt. Maar dat valt nog te bezien, want de apostelen (de Aramees sprekenden?)
lijken in Jeruzalem te kunnen blijven. Waarschijnlijk had de synagoge, die geleid werd door Jacobus, niets te duchten. Over hen zullen we later,
via Paulus, dan ook nog een en ander horen. De Hellenisten (Griekstalige Joden) echter moesten een veilig heenkomen zoeken in dorpen in de
omgeving en buiten Judea. Overal waar ze komen verkondigen zij het evangelie.
De huisgemeenten
We zagen al dat de eerste volgelingen van Jezus samenkwamen bij mensen thuis. En we zagen ook dat Lucas het in zijn beschrijving
doet voorkomen alsof zij met elkaar aanvankelijk een soort commune vormden waarin eensgezindheid heerste. Of dat allemaal werkelijk
zo rooskleurig was als Lucas het voorstelt valt te betwijfelen. (De beschrijving van het 'commune-ideaal' heeft overigens grote invloed gehad op de geschiedenis van het Christendom. Enerzijds heeft het model
gestaan voor het leven in kloostergemeenschappen; anderzijds is het ook een grond geweest voor kritiek op de rijkdommen van de kerk.) Veel waarschijnlijker is het, dat hij het verleden idealiseert
en ten voorbeeld stelt aan zijn lezers; en dat er in werkelijkheid vanaf het allereerste begin verschillende stromingen zijn geweest, die
het met elkaar niet over allerlei zaken niet eens waren. Ook op hetgeen hij vertelt over 'het commune-ideaal' is wel een en ander af te dingen.
Alleen al het feit dat men bijeenkwam in huizen van particulieren veronderstelt, dat er mensen waren die over huizen beschikten, die groot
genoeg waren om zo'n gemeenschap te kunnen ontvangen. Hoe zag zo'n huis eruit? Meestal was het gebouwd rond
een binnenplaats (atrium); je kon er zo naar binnen. Soms was er een bovenvertrek, heel geschikt om je in terug te trekken voor
studie of gebed; of om er gasten onder te brengen. Zulke huisgemeenten worden al vrij snel op verschillende plaatsen in het
Romeinse rijk aangetroffen. Iemand die zo'n huis bezat was bijvoorbeeld Maria, de moeder van Johannes Markus: we vernemen dat zij
haar huis ter beschikking stelde van de gemeente. Er waren dus klaarblijkelijk ook mensen die gewoon bezittingen hadden. Van
Barnabas wordt verteld dat hij een akker had en dat hij die verkocht; maar als Leviet kon Barnabas in Jeruzalem onmogelijk een akker in
bezit hebben (Dt. 12:12)! In het evangelie vertelt Lucas dat Petrus, toen Jezus hem uitkoos om hem te volgen, alles achter zich liet;
later blijkt echter dat hij toch nog gewoon een boot bezit, waarmee hij kan gaan vissen. Ook van Levi wordt verteld dat hij alles achterliet;
maar vervolgens richt hij in zijn huis een feestmaal aan! (Lucas 5: 27vv.). Voldoende aanwijzingen om te mogen veronderstellen dat wat
Lucas schrijft niet al te letterlijk moet worden opgevat. Uit de brieven van Paulus valt op te maken dat er ook buiten Jeruzalem al vroeg
welgesteelde Christenen waren, die hun huizen beschikbaar stelden voor bijeenkomsten:
Eén van onze toehoorsters was een vrouw uit Thyatira die in purperstoffen handelde;
ze heette Lydia en vereerde God. (…) Nadat zij en haar huisgenoten waren gedoopt,
nodigde ze ons uit met de woorden: 'Als u ervan overtuigd bent dat ik de Heer geloof,
neem dan bij mij uw intrek'. Ze drong er bij ons sterk op aan. (Handelingen 16:14-15)
Wilt u de broeders en zusters in Laodicea groeten, en ook Nymfa en de gemeente die bij
haar thuis samenkomt? (Kolossenzen 4:15)
Verbreiding
Nog voordat Paulus is bekeerd had het Christendom zich al verbreid tot in Damaskus.
Hij (Paulus) ging naar de hogepriester met het verzoek hem aanbevelingsbrieven
mee te geven voor de synagogen in Damascus, opdat hij de aanhangers van de Weg
die hij daar zou aantreffen … (Handelingen 9:2).
Dit brengt ons bij iets anders. Ook de gedachte, dat Paulus het Christendom zou hebben verbreid, is een fabel, die berust op het beeld dat Lucas schetst van de oudste kerkgeschiedenis. Niet alleen in Damaskus, maar ook in Efeze en Rome waren er al Christenen voordat Paulus daar arriveerde. Hoe was het daar gekomen? Daarover vernemen we bij Lucas niets. Hij wil ons doen geloven dat het geloof zich verbreidde vanuit Jeruzalem door het zendingswerk van Petrus en Paulus.
Wat verder opvalt in de lezing van Lucas is dat Galilea, de streek waar Jezus vandaan kwam, in het geheel niet wordt genoemd. En dat Lucas in zijn evangelie Jezus laat zeggen: "Luister, ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad" (Lucas 4:24). Is de heilsboodschap in Galilea misschien niet aangeslagen? Anders ligt het, volgens Lucas, met Samaria. Lucas heeft in zijn evangelie (als enige van de evangelisten) twee verhalen opgenomen, waarin Samaritanen een positieve rol spelen. Het ene is het bekende verhaal over de barmhartige Samaritaan (Luc. 10:30); het andere het verhaal over de tien melaatsen die worden genezen; Jezus draagt hen op om naar de priesters te gaan en zich daar te laten zien; terwijl ze nog onderweg zijn worden zij genezen; daarna komt er maar één terug bij Jezus om hem zijn dankbaarheid te tonen; die ene was een Samaritaan (Lucas 17:16). Zo benadrukt Lucas op een subtiele wijze het belang van Samaria voor de verbreiding van het geloof, hoewel de bewoners van deze streek door Judeërs van oudsher diep werden geminacht. Ook hierin mogen we een aanwijzing zien, dat de verbreiding van het Christendom verliep via de Griekstaligen.
Volgens Lucas heeft het geloof zich vanuit Jeruzalem via Judea en Samaria een weg gebaand naar Antiochië. En vanuit Antiochië naar Rome. Doorgaans wordt deze stylering van de oudste kerkgeschiedenis opgevat als de uitdrukking van een theologisch concept: uiteindelijk zijn het de heidenen die de rol van Israël overnemen: 'de gemeente van God' is het volk waarmee God opnieuw een verbond is aangegaan.
Behalve aan Petrus besteedt Lucas ook veel aandacht aan Paulus. Over de andere apostelen horen we zo goed als niets. Met betrekking
tot Paulus valt het op, dat Lucas hem eigenlijk niet een apostel vindt. Pas geleidelijk, helemaal aan het eind gebruikt hij het
woord apostel in relatie tot Paulus. Lucas begint met fijntjes op te merken, dat Paulus erbij was toen Stefanus werd gestenigd: Paulus
zou dat toen ook hebben goedgekeurd. Waarom vertelt hij dit? Waarschijnlijk toch wel om te onderstrepen, dat Paulus niet een volgeling van
Jezus van het eerste uur was. En dus ook geen aanspraak kon maken op de titel 'apostel'. 'Echte' apostelen waren - volgens Lucas - alleen
die mensen die vanaf de doop van Jezus in de Jordaan tot en met zijn hemelvaart hem waren gevolgd. Dat blijkt uit wat Lucas vertelt over
de vervanging van Judas:
Daarom moet een van de mannen die steeds bij ons waren toen de Heer Jezus
onder ons verkeerde, vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop hij in
de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.'
Ze stelden twee kandidaten voor: Josef Barsabbas, die de bijnaam Justus had,
en Mattias. Daarna baden ze als volgt: 'U, Heer, doorgrondt ieders gedachten.
Wijs van deze beide mannen degene aan die u gekozen hebt om als apostel zijn
dienende taak te verrichten en de plaats in te nemen van Judas. (Handelingen 1:21-25)
Dat Lucas niet de enige is geweest die vraagtekens zette bij het apostolaat van Paulus blijkt ook uit wat Paulus zelf schrijft. Als hij in
Corinthe is zijn ook daar predikers die hem op dit punt bekritiseren. Het feit dat hij zelf zijn kost verdient is voor hen een teken dat hij
geen apostel is; want een ware apostel laat zich door de gemeente onderhouden. Paulus kan dat niet over zijn kant laten gaan en schrijft:
Ziehier mij verdediging tegen wie zich een oordeel over mijn apostelschap
aanmatigen (I Corinthe 9:3).
Zijn verweer is overigens niet sterk: hij merkt op dat hij zich vroeger ook wel eens door de gemeenten heeft laten onderhouden,
maar dat hij niemand tot last wil zijn, en dat hij - trouwens - nog steeds betalingen ontvangt van de gemeente in Thessalonika.
Paulus baseert zijn recht om zich apostel te noemen op het feit dat Jezus hem persoonlijk is verschenen. Deze verschijning heeft
hem tot andere inzichten gebracht. Zijn brief aan de Galaten begint aldus:
Van Paulus, een apostel die niet is aangesteld of gezonden door mensen, maar door
Jezus Christus en God, de Vader, die Christus uit de dood heeft opgewekt. Aan de
gemeenten in Galatië (Galatenbrief:1:1v.).
U hebt gehoord hoe ik vroeger volgens de Joodse godsdienst leefde, dat ik
de gemeente van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien. Ik
leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en
zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht. Maar toen
besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door
zijn genade heeft geroepen, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan
de heidenen zou verkondigen (Vergelijk Jesaja 49:1). Ik heb toen geen mens
om raad gevraagd en ben ook niet naar Jeruzalem gegaan, naar hen die eerder
apostel waren dan ik. Ik ben onmiddellijk naar Arabia gegaan en ben van daar
weer teruggekeerd naar Damascus. Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem
om Kefas te ontmoeten, en bij hem bleef ik twee weken. Maar van de overige
apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer. God
is mijn getuige dat ik u de waarheid schrijf. (Galatenbrief 1:13-20)
Door zijn woordgebruik maakt hij duidelijk dat de wijze waarop hij is geroepen vergelijkbaar is die van de profeet Jesaja.
De inhoud van het getuigenis
Uit alles blijkt dat het boek Handelingen dus niet erg informatief is als het gaat om de vraag langs welke wegen het Christendom
zich heeft verbeid. Informatief is echter wel de wijze waarop we worden geïnformeerd over de conflicten die er zijn geweest
en over de vraag welke opvattingen uiteindelijk hebben gezegevierd. De eerste conflicten hadden betrekking op de vraag naar de
betekenis van de boeken van Mozes: volgens sommigen hadden Christenen zich net als alle Joden te houden aan de voorschriften.
Sommigen waren daar strenger in dan anderen. Men twistte over reinheidsvoorschriften. Over de vraag of je met samen heidenen aan
tafel mocht zitten. Of je offervlees mocht eten. Over echtscheiding. Over het spreken in klanken. Over de vraag of het evangelie
alleen bestemd was voor Joden, of ook voor heidenen. En over de vraag of heidenen eerst besneden moesten worden wanneer ze zich
tot het Christendom wilden bekeren. En natuurlijk ook over de gezagsvraag: over wie er nu eigenlijk het laatste woord had als het
ging om dergelijke kwesties.
Uit de brief van Paulus aan de Galaten blijkt dat Jacobus en de anderen, die leiding geven aan de gemeente in Jeruzalem, dit gezag
voor zich opeisten. Maar Paulus is het daar niet mee eens: daarom benadrukt hij, dat hij zelf nauwelijks contact heeft gehad met
mensen uit Jeruzalem; en dat ook hem het evangelie is geopenbaard; dat zijn boodschap - naar blijkt - op veel punten overeenstemt
met dat wat de andere apostelen prediken; en vooral: dat uit het feit dat zijn werk mensen aanspreekt en zegenrijk is toch
overduidelijk blijkt dat de Heilige Geest ook in en door hem werkt. Het conflict rond het gezag lijkt met name gespeeld te hebben
in de kwestie van de besnijdenis. Vooral voor diegenen, die de bevrijding van Israël voor ogen stond, was de besnijding een zichtbaar
teken te behoren bij het uitverkoren volk. Het terzijde stellen van dit zichtbare teken zou het einde betekenen van de eigen identiteit.
Paulus echter huldigt de opvatting dat al wie zich laat besnijden zich dan ook maar aan alle andere Joodse leefregels moet
houden. En dat je dit van heidenen allemaal niet kunt verlangen: dat zou, wat hem betreft, ook in tegenspraak zijn met het bevrijdende
karakter van het evangelie. De kwestie van het 'leergezag' wordt met name concreet op het moment dat in Antiochië rond over de kwestie
van de besnijding een heftige ruzie ontstaat:
Er kwamen enkele leerlingen uit Judea (in Antiochië), die betoogden dat
de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes
overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde
tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle
woordenstrijd (Handelingen 15:1v.).
Volgens Lucas valt dan het besluit om de kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten in Jeruzalem. In de brief van Paulus
aan de Galaten echter, waarin Paulus een kort overzicht schetst van zijn leven tot op dat moment, krijgen we een heel andere lezing
te horen. We vernemen weliswaar ook daar dat Paulus naar Jeruzalem gaat, inderdaad in gezelschap van Barnabas en Titus, maar dat zij
hiertoe besluiten op grond van een visioen. Na aankomst zou Paulus de mensen in Jeruzalem in besloten kring verteld hebben over de inhoud,
de opzet en het succes van zijn evangelisatiewerk. En dat zou in goede aarde gevallen zijn:
"Toen (..) ze dus de genade onderkenden die mij geschonken was, toen reikten Jakobus,
Kefas en Johannes, die als steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij
zouden naar de heidenen gaan, zij naar de besnedenen" (Galaten 2:9).
Volgens Paulus zijn daar dus werkafspraken gemaakt. Paulus wekt de indruk dat er over de kwestie van de besnijdenis amper is gesproken.
Zijdelings merkt hij op:
Maar zelfs Titus, die mij vergezelde, werd niet gedwongen zich te laten besnijden,
hoewel hij toch een Griek is (Galaten 2:3).
De vraag is, of de gegevens uit de Galatenbrief betrekking hebben op dezelfde bijeenkomst die Lucas in Handelingen 15 beschrijft.
Een mogelijkheid, die wel is geopperd, is dat 'het apostelconvent' nog niet had plaatsgevonden toen Paulus zijn brief aan de
Galaten schreef. Dat zou wijzen op de ouderdom van de brief, omdat die dan voordien zou zijn geschreven. Een andere mogelijkheid
is dat Lucas het apostelconvent antedateert: Lucas ons wil doen geloven dat Paulus en Barnabas onmiddellijk na het ontstaan van
spanningen in Antiochië naar Jeruzalem zijn gegaan. Hoe dit ook zij: wel duidelijk is het dat Paulus over zijn verhouding tot de
leiders van de gemeente in Jeruzalem ons heel anders informeert dan Lucas zijn lezers wil doen geloven.
Een vergelijking tussen de gegevens uit de Galatenbrief en die uit Handelingen leert verder dat volgens Lucas Paulus onmiddellijk
na zijn bekering naar Jeruzalem is gegaan (Handelingen 9:26). Ook hier is, volgens Paulus, geen sprake van: hij is eerst drie jaar
naar 'Arabië' gegaan (Galaten 1:17); pas na die drie jaar is hij voor het eerst weer in Jeruzalem geweest en heeft hij daar kennis
gemaakt met Petrus. Uit alles blijkt dat Lucas de waarheid manipuleert: het gaat er hem niet om hoe het precies gebeurd is, maar
hoe hij wil dat lezers het zien. Waar Lucas en Paulus het over eens lijken te zijn is, dat op enig moment er overeenstemming ontstond
ten aanzien van de universaliteit van het evangelie. In latere brieven van Paulus speelt het punt van de besnijdenis dan ook geen rol
meer. Wat nog wel een heikel punt blijft is de betekenis van het volk Israël (Cf. Romeinenbrief!).
SAMENVATTING:
De kerk is ontstaan in de huizen waar volgelingen van Jezus rond de maaltijd bij elkaar kwamen. Daar ontstond hun gevoel van
verbondenheid met elkaar. Aanvankelijk verwachtten zij, dat Jezus spoedig zou terugkomen. Tegelijkertijd koesterde men de gedachte
dat hij door de (heilige) Geest nog net zo onder hen werkzaam was als daarvoor. En men vroeg zich af wat het concreet te betekenen
had, dat Jezus nog steeds werd ervaren als een levende, een nabije.
Nog lang werden de 'mensen van de Weg', zoals de christenen zichzelf aanvankelijk noemden, beschouwd als een stroming binnen het
Jodendom: waarschijnlijk betaalden zij de tempelbelasting, lieten zij de jongens besnijden, participeerden zij in rituelen en leefden
zij volgens de oude Joodse tradities. Zij zagen het als hun opdracht om te verkondigden dat Jezus dood niet het einde was, maar dat
hij leefde; en dat dit een teken was van Gods trouw.
Maar al spoedig ontstonden er spanningen: zowel tussen de overheden en deze 'sekte van Nazoreeërs' als tussen secteleden onderling,
met alle gevolgen van dien. De conflicten hebben er uiteindelijk toe geleid, dat het geloof in een universele betekenis van Jezus zich
verder heeft verbreid. De keerzijde daarvan was dat de Aramees-christelijke synagoge van Jeruzalem, die aanvankelijk gold als het hart van
de beweging, het uiteindelijk niet heeft overleefd. Een aantal vooraanstaande leiders van die gemeente zijn vermoord. De leden zijn mogelijk
voor het overgrote deel uitgeweken (naar Pella en verder in oostelijke richting). Vormen van dit Christendom zijn letterlijk 'over de horizon
verdwenen' en bleven slechts voortbestaan buiten de grenzen van het Romeinse rijk. Het Christendom dat het binnen de grenzen van
dit rijk uiteindelijk overleefde was een Christendom dat in sterke mate was bepaald door de visie van Paulus. Dat diens opvattingen
wel moesten leiden tot een breuk met het Judaïserende Christendom valt af te lezen uit de toon, waarmee hij zich tot de gelovigen
in Rome richt:
En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan;
u die zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aankomt, omdat u wordt
onderwezen door de wet; u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van
blinden bent, (..) onderwijst u uzelf eigenlijk wel? (Romeinen 2:17v.).
Na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 ontstond er geleidelijk een kerkelijke organisatie met ambten en een 'leer', die was gebaseerd op de uitleg van een aantal al min of meer gecanoniseerde geschriften, waarvan we een groot aantal we vandaag de dag terugvinden in het Nieuwe Testament. Rudolf Bultmann heeft dan ook gelijk wanneer hij stelt, dat de kerk pas is ontstaan na Pasen. Anderzijds is het ook waar, dat zonder Jezus van Nazareth de kerk nooit had kunnen ontstaan.
Terug naar de indexpagina
Reactie? Zend een E-mail